11 mei 2020

Deel III: Ontruimen huurwoning, hoe gaat de rechter daarmee om?

author

Vera (V.C.) Hartkamp

feature-img

Deze blog maakt deel uit van een reeks waarin de actuele jurisprudentie wordt bijgehouden over de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de huurwoning in Corona-tijden. Lees deel I en deel II.

In deze blog behandel ik weer drie uitspraken (allemaal kort geding procedures).

Tijdelijke regeling voor handel- en kantonzaken

Eerst even kort het kader, zoals opgenomen in mijn deel I van de reeks:

De rechtbank publiceerde een aantal tijdelijke regelingen, waaronder de Tijdelijke regeling voor handel- en kantonzaken. Huurzaken zijn op Lijst 2 geplaatst en vallen daarmee in de categorie ‘overige urgente zaken’. In de Regeling staat:

“Huurzaken: tot 1 juni 2020 wordt in woonruimtezaken geen ontruiming uitgesproken (verstek- en uitgeprocedeerde zaken inbegrepen), uitgezonderd zaken waarin sprake is van feiten die de zaak tot superspoedeisend maken zoals criminele activiteiten en ernstige overlast.”

 Kortom: geen ontruimingen van huurwoningen tot 1 juni, tenzij er sprake is van een ‘superspoedeisende’ zaak. Als voorbeeld daarvan wordt gegeven criminele activiteiten en ernstige overlast. Let op, dit zijn voorbeelden, andere situaties zouden ook als superspoedeisend kunnen worden aangemerkt. De Tijdelijke regeling is een richtlijn.

Uitspraak 7

Rechtbank Oost-Brabant 17 april 2020. Huurder huurt vanaf oktober 2019 een woning met parkeerplaats van verhuurder. De huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met een minimumduur van 12 maanden, tegen een huurprijs van € 1.500,= per maand. Na betaling van de eerste twee maanden, plus de borg, betaalt huurder geheel niets meer. De huurachterstand is op het moment van het starten van de procedure een bedrag van € 7.151,09.

Huurder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van betalingsonwil, maar -onmacht. Hij werkt voor de Tunesische overheid. Onder meer vanwege problemen met wisselkoersen en het Coronavirus, zit er vertraging in de uitbetalingen vanuit Tunesië. Hij heeft bij de ambassade een voorschot aangevraagd en een bedrag van € 4.750,= toegekend gekregen.

Wat doet de rechter?

De rechter oordeelt dat er sprake is van een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Huurder heeft diverse toezeggingen om te betalen gedaan, maar nergens blijkt uit dat hij die toezegging kan en zal nakomen. De rechter wijst de gevorderde ontruiming toe. Vanwege de Coronacrisis wordt de ontruimingstermijn bepaald op 14 dagen, in plaats van de gevorderde 3 dagen. De rechter stapt dus over uitgangspunten van de Tijdelijke regeling heen.

Uitspraak 8

Rechtbank Noord-Holland 4 mei 2020. Huurder huurt vanaf 25 januari 2019 van woningcorporatie Woontij in Den Burg een woning. In de huurovereenkomst is een verplichting voor de huurder opgenomen om zorg te accepteren. Op 7 oktober 2019 beëindigt GGZ de behandelrelatie met huurder. Woontij bericht de huurder in oktober 2019 dat de huurovereenkomst niet wordt verlengd. Sinds mei 2019 is een huurachterstand ontstaan. Tot en met februari 2020 is die huurachterstand € 1.245,91, zijnde meer dan 3 maanden. In maart 2020 krijgt huurder een beschermingsbewindvoerder toegewezen.

Wat doet de rechter?

De rechter stelt vast dat de huurder zonder recht of titel in de woning verblijft. De rechter oordeelt vervolgens dat hij extra kritisch moet kijken naar de ontruimingsvordering, vanwege het coronavirus. Niettemin komt hij tot de conclusie dat de ontruiming moet worden toegewezen. De huurovereenkomst is ruim voor maart 2020 geëindigd, er is een grote huurachterstand, huurder is niet bereikbaar geweest voor Woontij, huurder weigert de noodzakelijke (medische) behandeling en huurder veroorzaakt overlast in de vorm van agressief gedrag jegens medewerkers van Woontij. De bewindvoerder moet de woning van huurder binnen 3 dagen na betekening van het vonnis ontruimen.

Uitspraak 9

Rechtbank Gelderland 7 mei 2020. Het gaat in deze zaak om een huurwoning van woningcorporatie Portaal. Vanaf 20 maart 2006 huurt huurder van Portaal een woning. Op 30 januari 2019 trouwt huurder met een Jordanese man. Die man verblijft nog enige tijd in Jordanië en komt op 6 juli 2019 naar Nederland met 60 kg bagage en ontvangt per 19 juli 2019 een verblijfsdocument van de IND. Hij verblijft niet op het adres van het gehuurde, maar elders in Nederland. Op 21 juli 2019 overlijdt de huurder. Zijn weduwnaar schrijft zich per 29 juli 2019 in op het adres van het gehuurde en stuurt op 12 augustus 2019 een verzoek tot medehuurderschap naar Portaal. Portaal stelt zich op het standpunt dat de weduwnaar de sociale huurwoning moet ontruimen en daarin niet kan blijven, omdat hij niet het vereiste hoofdverblijf had in de woning.

Wat doet de rechter?

De rechter volgt het standpunt van Portaal en oordeelt dat de weduwnaar geen hoofdverblijf had in de woning gedurende het huwelijk van ca. 6 maanden en ook niet de intentie had om daar hoofdverblijf te houden. Hierdoor kan hij zich niet op wettelijk medehuurderschap beroepen, waardoor hij nu zonder recht of titel in de woning verblijft. De weduwnaar moet de woning dus verlaten. Wel houdt de rechter rekening met de Tijdelijke regeling en bepaalt dat de huurder uiterlijk 1 augustus 2020 de woning moet hebben verlaten.

Conclusie

Uit de negen uitspraken wordt goed duidelijk dat er per rechtbank verschillend wordt omgegaan met de Tijdelijke regeling. Er bestaat ruimte, maar die moet goed worden benut. Een procedure moet op de juiste wijze worden ingestoken wil een ontruiming toch mogelijk zijn.

Zit u met een probleem en wilt u de situatie bespreken? Bel ons via 030-252 1802.

author

Vera (V.C.) Hartkamp

Vera is specialist op het gebied van huurrecht, verbintenissenrecht en bestuursrecht. Vera beantwoordt tevens verhuurdersvragen op het gebied van het privacyrecht. Vera adviseert en procedeert veel en geeft regelmatig cursussen. In het verleden heeft zij drie jaar gewerkt bij de Centrale Raad van Beroep en vier ...
Delen

overig nieuws_