22 december 2017

Verblijfsvergunning als voorwaarde voor verhuur: geen discriminatie

author

Vera (V.C.) Hartkamp

feature-img

Mag een verhuurder eisen dat de potentiële huurder een verblijfsvergunning heeft die ten minste een jaar geldig is? Over deze kwestie boog het College van de Rechten van de Mens zich, nadat een woningzoekende een klacht indiende tegen een commerciële verhuurster.

De man die de klacht indiende, moest vanwege zijn werk verhuizen van Groningen naar Amsterdam. Op 29 maart 2017 nam hij contact op met verhuurster, omdat hij interesse had in een woning. De verhuurster gaf aan dat hij niet in aanmerking kwam, omdat zijn verblijfsvergunning op 16 juni 2017 afliep. Dat de man al een verzoek voor verlenging bij de IND had ingediend, maakte voor de verhuurster niet uit. Zij eist dat een potentiële huurder een verblijfsdocument heeft dat nog ten minste twaalf maanden geldig is. Dat de man verder wel aan alle andere (financiële) voorwaarden voldeed, maakte ook geen verschil. Kort na de afwijzing vond de woningzoekende een woning via een andere verhuurder die de voorwaarde niet stelde.

Algemene wet gelijke behandeling

Volgens de woningzoekende maakt de verhuurster met haar eis een verboden onderscheid op grond van nationaliteit. De Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) bepaalt dat het maken van onderscheid op grond van nationaliteit verboden is. Het handelen van verhuurster mag dus geen onderscheid op grond van nationaliteit met zich meebrengen.

Wel of geen verboden onderscheid?

De eerste vraag die in dit kader voorligt, is of er sprake is van direct of indirect onderscheid. Het College stelt dat er géén sprake is van direct onderscheid, omdat niet-Nederlanders niet per definitie worden uitgesloten. Dat hangt immers af van de geldigheidstermijn van hun verblijfsvergunning. Wel is er volgens het College sprake van indirect onderscheid, omdat de voorwaarde enkel betrekking kan hebben op niet-Nederlanders.

Indirect onderscheid is gerechtvaardigd, mits er sprake is van 1) een legitiem doel en 2) de middelen noodzakelijk en passend zijn. Volgens het College had de verhuurster een legitiem doel. Zij sluit huurovereenkomsten voor ten minste één jaar, enerzijds om bedrijfsrisico te beperken en anderzijds om sociale cohesie en leefbaarheid te bevorderen.

Om te onderzoeken of de middelen noodzakelijk en passend zijn, kijkt het College naar de begrippen subsidiariteit en proportionaliteit. Hiervan is sprake, en de ingezette middelen zijn passend, als er geen ander – minder bezwarend – middel is én het middel evenredig is in verhouding tot het doel. Hierbij wordt tevens een belangenafweging gemaakt, waarbij het in deze zaak van belang is dat de verhuurster geen monopolie heeft op het verhuren van woningen in Amsterdam.

Het College komt tot het oordeel dat, hoewel er sprake is van een indirect onderscheid, dit onderscheid gerechtvaardigd is. Van discriminatie is geen sprake.

Biedt dit oordeel mogelijkheden voor (een aanpassing van) uw beleid? Wij denken graag met u mee.

author

Vera (V.C.) Hartkamp

Vera is specialist op het gebied van huurrecht, verbintenissenrecht en bestuursrecht. Vera beantwoordt tevens al uw vragen op het gebied van het privacyrecht. Vera adviseert en procedeert veel en geeft regelmatig cursussen. In het verleden heeft zij drie jaar gewerkt bij de Centrale Raad van Beroep en vier jaar bij ...
Delen

overig nieuws_