3 februari 2021

Geen verhuiskostenvergoeding bij verblijf in een ingerichte logeerwoning

author

Frank (F.J.) Ringnalda

feature-img

Woningcorporaties lopen voorop bij het verduurzamen van hun woningvoorraad. Dat betekent dat zij aan veel van hun woningen werkzaamheden laten uitvoeren. Woningcorporaties laten hun huurders dan met enige regelmaat verblijven in een ingerichte logeerwoning. Dat is een woning die is ingericht, waar huurders kunnen verblijven en waar naartoe zij over het algemeen alleen wat kleding en persoonlijke spullen hoeven mee te nemen. Regelmatig stellen huurders zich daarbij op het standpunt dat zij niet in hun woning kunnen blijven, maar gedwongen zijn te vertrekken. Ze maken dan aanspraak op de wettelijke verhuiskostenvergoeding van artikel 7:220 lid 5 BW – een bedrag van ruim € 6.000,-.

Verhuiskostenvergoeding

Veel kantonrechters en het hof Den Haag zijn van oordeel dat een verblijf in een ingerichte logeerwoning geen verhuizing is in de zin van artikel 7:220 lid 5 BW. Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde tot voor kort dat als een huurder de woning heeft verlaten als gevolg van renovatiewerkzaamheden, hij dus zou zijn verhuisd.

In een recent arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden in een zaak die ik behandelde voor een woningcorporatie, lijkt het hof echter ‘om’ te gaan en oordeelt het anders. Het hof overweegt dat de verhuiskostenvergoeding is bedoeld:

“als vergoeding van kosten die de huurder heeft moeten maken voor verhuizing van de huisraad (meubels, koelkast, televisie etc) uit de eigen woning en kosten om de woning (opnieuw) in te richten. (…) Het tijdelijk verplaatsen van huisraad in de woning (en niet naar een andere woning) en het tijdelijk verplaatsen van de inhoud van de schuur/berging naar een daarvoor bestemde container zodat de werkzaamheden (gemakkelijker) konden worden uitgevoerd, is niet gelijk te stellen met een verhuizing waarvoor deze vergoeding is bedoeld.”

Het hof overweegt verder dat aan drie cumulatie vereisten moet worden voldaan, wil een huurder aanspraak kunnen maken op de wettelijke verhuiskostenvergoeding:

  • er moet sprake zijn van renovatiewerkzaamheden;
  • die renovatiewerkzaamheden moeten noodzaken tot verhuizen;
  • er moet zijn verhuisd in hiervoor bedoelde zin.

Oordeel van het hof

Het hof oordeelt dat niet is voldaan aan het derde vereiste omdat de huurder verbleef in een ingerichte logeerwoning en dat de huurder dus niet is verhuisd in de zin van artikel 7:220 lid 5 BW. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de kantonrechter, waarin de vordering tot betaling van de verhuiskostenvergoeding is afgewezen.

Goed nieuws dus voor woningcorporaties, gelet op de grote verduurzamingsopgave waar zij voor staan. Heb je nog vragen over het arrest, wil je een afschrift van het arrest ontvangen of wil je een keer overleggen over de verhuiskostenvergoeding? Neem gerust contact met mij op.

 

author

Frank (F.J.) Ringnalda

Frank is specialist op het gebied van huurrecht (woonruimte en bedrijfsruimte) en vastgoedrecht in brede zin, waaronder bouwrecht. Hij treedt veel op voor professionele verhuurders, zoals woningcorporaties en beleggers. Frank heeft vijf jaren bij een groot advocatenkantoor in Amsterdam gewerkt op het gebied van ...
Delen

overig nieuws_